De Eerste Kamer heeft ingestemd met het Fiscaal pakket 2010.

Op dinsdag 22 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Belastingplan 2010. Daarna is het Eindejaarspersbericht 2010 gepubliceerd. Dit persbericht is ingedeeld in negen hoofdstukken, waaronder Loonbelasting en Afdrachtverminderingen. Wij publiceren het hoofdstuk over de loonbelasting integraal:

3 Loonbelasting

3.1 Spaarloon of levensloopregeling

Spaarloon
Het bedrag dat de werknemer maximaal mag sparen bedraagt € 613 per jaar. De werknemer mag slechts bij één werkgever deelnemen aan de spaarloonregeling. In de inkomstenbelasting geldt voor het jaar 2010 een vrijstelling in box 3 van maximaal € 17.025 (€ 17.025) voor geblokkeerde spaartegoeden in het kader van een spaarloonregeling.

Levensloopregeling
Werknemers hebben bij opname uit de levensloopregeling recht op de levensloopverlofkorting. Bij de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt deze extra heffingskorting door de werkgever verrekend. De levensloopverlofkorting is gelijk aan het opgenomen bedrag uit de levensloopregeling met een maximum van € 199 (€ 195) per gespaard kalenderjaar.

Vanaf 2010 hebben werknemers die bij het begin van het kalenderjaar 61 jaar of ouder zijn geen recht meer op de arbeidskorting, de aanvullende alleenstaande-ouderkorting en de doorwerkbonus met betrekking tot het uit de levensloopregeling opgenomen bedrag. De werknemer kan jaarlijks kiezen aan welke regeling hij wil deelnemen: spaarloon of levensloop. In hetzelfde jaar in beide regelingen geld inleggen is niet mogelijk.

3.2 Reiskostenvergoeding
De maximale belastingvrije vergoeding van zakelijke kilometers is € 0,19 (€ 0,19) per kilometer, ongeacht het vervoermiddel. Dit betekent dat de werkgever elke zakelijke kilometer, ook elke kilometer voor woon-werkverkeer, tot maximaal € 0,19 (€ 0,19) belastingvrij kan vergoeden.

Als een werknemer met het openbaar vervoer reist, kan de werkgever kiezen: er kan maximaal € 0,19 (€ 0,19) per kilometer belastingvrij worden vergoed, maar in plaats daarvan mogen ook de werkelijke reiskosten belastingvrij worden vergoed. De werkgever moet de vergoede plaatsbewijzen bewaren, ingeval een hogere vergoeding wordt verstrekt dan € 0,19 per kilometer.

3.3 Auto van de zaak
Vanaf 1 januari 2010 zijn er vier tarieven voor de (minimum)bijtelling auto van de zaak:
1. 0% voor auto’s zonder CO2-uitstoot (bijvoorbeeld elektrische auto’s);
2. 14% voor zeer zuinige auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal:
- 95 gram per kilometer bij een auto die op diesel rijdt;
- 110 gram per kilometer bij een auto die niet op diesel rijdt;
3. 20% voor zuinige auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan:
- 95 en maximaal 116 gram per kilometer bij een auto die op diesel rijdt;
- 110 en maximaal 140 gram per kilometer bij een auto die niet op diesel rijdt;
4. 25% voor alle andere auto’s.

De grondslag voor de bijtelling is de catalogusprijs van de auto inclusief BPM. De verlaagde bijtelling van 0% voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt tot en met 2014. Met ingang van 1 januari 2010 bedraagt de bijtelling voor auto’s van de zaak die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen ten minste 35% van de waarde van de
auto in het economische verkeer. Bij deze oude auto’s is de catalogusprijs dus niet van belang.

3.4 Maaltijden in bedrijfskantines
Voor een maaltijd in een bedrijfskantine gelden de volgende normbedragen:
Warme maaltijd 2010 € 4,20 was in 2009 € 4,00
Koffiemaaltijd/Lunch 2010 € 2,20 was in 2009 € 2,10
Ontbijt 2010 € 2,20 was in 2009 € 2,10

3.5 Consumpties tijdens werktijd
De vrijgestelde vergoeding voor consumpties tijdens werktijd (maaltijden vallen hier niet onder) bedraagt maximaal € 2,75 (€ 2,75) per week of € 0,55 (€ 0,55) per dag.

3.6 Personeelsleningen
Er is in 2010 geen sprake van een te belasten rentevoordeel als de werknemer ten minste 2,5% (4,9%) rente betaalt over het geleende bedrag.

3.7 Vrijwilligers
De vergoeding die een vrijwilliger ontvangt, wordt niet als loon beschouwd als deze niet meer bedraagt dan € 1500 (€ 1500) per jaar en € 150 (€ 150) per maand. Het gaat erom of de beloning in redelijke mate overeenstemt met (de aard van) het werk. Bij een beloning die kan worden aangemerkt als een marktconforme beloning, is er geen sprake van `vrijwilligerswerk`. Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is namelijk dat een vergoeding niet in verhouding staat tot het tijdsbeslag en de aard van het verrichte werk.

3.8 Geschenkenregeling
De werkgever mag 20% eindheffing toepassen over geschenken in natura aan een werknemer, voor zover de waarde in het economische verkeer niet meer is dan € 70 (€ 70) per kalenderjaar.

3.9 Fietsregeling
De werkgever kan eens per drie jaren de aanschafkosten van een fiets van de werknemer tot een bedrag van € 749 (€ 749) onbelast vergoeden als de werknemer voor woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

De werkgever mag voor met de fiets samenhangende zaken in 2010 maximaal € 82 (€ 82) onbelast aan zijn werknemer vergoeden of verstrekken. Het maximum van € 82 per kalenderjaar geldt voor vergoedingen en verstrekkingen samen.

3.10 Vakantiebonnen
Regelmatig (volgens de CAO) bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken worden met ingang van 1 januari 2010 gewaardeerd op 99% van de nominale waarde.

3.11 Pseudo-eindheffing backservice voor hoge inkomens
Met ingang van 1 januari 2010 is de pseudo-eindheffing backservice van kracht. Deze eindheffing is verschuldigd door de werkgever in het geval er sprake is van backservice bij een pensioenopbouw op basis van een eindloonstelsel. Dit geldt alleen voor hoge inkomens: het nieuwe pensioengevend loon moet namelijk hoger zijn € 519 000. In die gevallen wordt een pseudo-eindheffing geheven van 15 % over de forfaitaire waarde van de backservice-aanspraak. Deze heffing zal dus alleen worden toegepast als sprake is van een salarisstijging en dus van backservice. Het kan daarbij gaan om een salarisstijging bij dezelfde werkgever, maar ook om de salarissprong die wordt gemaakt bij de overstap naar een nieuwe werkgever. De grondslag voor de heffing is een forfaitair berekende backservice en bedraagt het verschil van het nieuwe pensioengevend loon en het oude pensioengevend loon vermenigvuldigd met een factor 4. Deze heffing wordt geheven van de werkgever naast de reguliere loonheffing voor die werknemer.

3.12 Kleinebanenregeling
Voor het kalenderjaar 2010 geldt de kleinebanenregeling die regelt dat voor de werknemer jonger dan 23 jaar met een kleine baan geen premies werknemersverzekeringen hoeven te worden betaald en dat voor die werknemer de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet op nul wordt gesteld. De werkgever hoeft dan ook geen vergoeding voor die inkomensafhankelijke bijdrage meer te geven. Van een kleine baan is sprake in het geval het loon voor een 22-jarige niet meer bedraagt dan maximaal € 600 per maand. Voor lagere leeftijden gelden lagere bedragen (zie de tabel hieronder). Voor de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen verandert er niets en moet – dus ook voor kleine banen – nog steeds de verschuldigde loonheffing worden ingehouden.
Leeftijd Maximumbedrag fiscaal loon per maand
Jonger dan 18 jaar € 275
18 € 325
19 € 375
20 € 425
21 € 500
22 € 600

3.13 Stamrechtbanksparen
Vanaf 1 januari 2010 wordt de keuzemogelijkheid van een (ex-)werknemer om een ontvangen ontslagvergoeding in te zetten voor een inkomensvoorziening (stamrecht) uitgebreid. De bedragen die ter vervanging van gederfd of te derven loon zijn ontvangen kunnen vrijgesteld van loonbelasting worden overgemaakt naar een geblokkeerde spaarrekening (stamrechtspaarrekening) bij een kredietinstelling of een beleggingsrekening (stamrechtbeleggingsrekening) bij een beleggingsinstelling. Het tegoed van deze rekeningen respectievelijk de waarde van deze rechten kan onder voorwaarden worden uitgekeerd in termijnen, óf worden aangewend ter verkrijging van producten die onder de huidige stamrechtvrijstelling vallen. De uitkeringen zijn vervolgens belast.
3.14 Versoepeling gebruikelijkloonregeling
In het kader van het verbeteren van de positie van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) wordt de gebruikelijkloonregeling met ingang van 1 januari 2010 versoepeld. De gebruikelijkloonregeling is vanaf 1 januari 2010 niet meer van toepassing als het gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5000 per jaar. In deze gevallen hoeft er dan geen
loonadministratie te worden opgezet, uiteraard tenzij de BV feitelijk loon betaalt. De grens van € 5000 geldt voor het totaal van de werkzaamheden die de DGA voor een concern verricht, de grens wordt dus niet per BV getoetst.

3.15 Vereenvoudiging aangifte loonheffingen voor dga’s
BV’s met alleen één of meer directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) krijgen de mogelijkheid om nog maar eenmaal per jaar aangifte te doen voor de loonheffingen. Die aangifte moet dan in januari gedaan worden. Hierbij gelden twee voorwaarden:
- in het bedrijf werkt naast de dga (‘s) geen ander personeel;
- de dga is (of de dga‘s zijn’) niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen.

4 Afdrachtvermindering loonbelasting

4.1 Afdrachtvermindering onderwijs
De afdrachtvermindering onderwijs is de verzamelnaam van acht verschillende categorieën afdrachtvermindering die gerelateerd zijn aan onderwijs. Voor elke afdrachtvermindering gelden eigen voorwaarden om ervoor in aanmerking te komen. De categorieën zijn:
· de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) tot een bedrag van max. € 2706 (€ 2655);
· assistenten in opleiding of onderzoekers in opleiding tot een bedrag van max. € 2706 (€ 2655);
· overig promotieonderzoek tot een bedrag van max. € 2706 (€ 2655);
· duale hbo-opleiding tot een bedrag van max. € 2706 (€ 2655);
· scholing tot startkwalificatieniveau tot een bedrag van max. € 3247 (€ 3186);
· leerwerktraject vmbo tot max. € 2706 (€ 2566);
· stage in het kader van de beroepsopleidende leerweg (BOL) tot een bedrag van max. € 1.299 (€ 1.275);
· procedure erkenning verworven competenties (EVC) voor een bedrag van € 325 (€ 319)
· (alleen voor 2010) verhoging van het opleidingsniveau van de werknemer (€ 500).
Het toetsloon voor 2010 is € 23 507 (€ 23 034).
De voorwaarden waaronder een afdrachtvermindering startkwalificatie kan worden verkregen worden vanaf 2010 op twee punten verruimd. De afdrachtvermindering startkwalificatie gaat ook gelden voor werknemers die als werkloze in dienst treden bij het ene leerwerkbedrijf en overstappen naar een ander leerwerkbedrijf, en voor werknemers die aansluitend aan een reïntegratietraject in dienst treden.

4.2 Verruiming afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
Werkgevers kunnen een afdrachtvermindering van loonbelasting krijgen voor werknemers die speur- en ontwikkelingswerk (S&O) verrichten. De S&O faciliteit is in 2010 incidenteel extra verruimd. Voor het jaar 2010 wordt de grens van € 150.000 tijdelijk verhoogd tot € 220.000, waardoor een S&O-inhoudingsplichtige over een groter deel van het S&O-loon het verhoogde percentage afdrachtvermindering kan toepassen. De afdrachtvermindering S&O bedraagt daardoor voor 2010 50% van het S&O-loon als dit loon in totaal niet meer bedraagt dan € 220 000 en 18% over het resterende S&O-loon. Het S&O-loon wordt bepaald door het verwachte aantal S&O-uren te vermenigvuldigen met het
gemiddelde S&O-uurloon. Voor de toepassing van de afdrachtvermindering S&O is een S&O-verklaring van SenterNovem
noodzakelijk. Binnen een kalenderjaar mag de werkgever voor maximaal drie perioden van minstens drie kalendermaanden en maximaal zes kalendermaanden een aanvraag indienen. Een verklaring voor een heel kalenderjaar wordt alleen onder bepaalde voorwaarden afgegeven.

Twitter Digg Delicious Stumbleupon Technorati Facebook Email

No comments yet... Be the first to leave a reply!

Leave a Reply